Onlangs publiceerde de Raad van Dieraangelegenheden een uitgebreid rapport waarin men vier randvoorwaarden publiceert voor de dierentuin van de toekomst.
Raad van Dieraangelegenheden
De raad behandelt vraagstukken over dierbeleid, waarbij ze met enige regelmaat het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van informatie voorziet en publicaties uitbrengt. In de raad zitten ongeveer 40 experts, waaronder universitair docenten, dierenartsen, en bijvoorbeeld de Oud-algemeen directeur van Stichting AAP.
Dierentuinen
Het rapport ''De toekomst is er zoo'' bespreekt verschillende vraagstukken rondom dierentuinen en de toekomstbestendigheid van deze parken. Daarin merkt men ook op dat, hoewel er nog steeds een groot draagvlak is voor dierentuinen in het algemeen, er wel degelijk kritiek is. Dierentuinen zouden daarom onder andere aandacht moeten hebben voor zorgvuldige ethische afwegingen.
Dolfijnen
Een van de hoofdstukken neemt de vraag in behandeling of alle diersoorten nog wel in de dierentuin gehouden moeten worden. Daarin komt (onder andere) naar voren dat ''het voor sommige soortspecifieke natuurlijke gedragingen bijna niet mogelijk is om ze voor het dier te faciliteren''. Als voorbeeld noemt men sommige diersoorten die in de natuur grote afstanden afleggen in het kader van hun migratiepatroon of om hoog-intelligente dieren, waarvan het erg lastig zou zijn om deze van voldoende uitdaging te voorzien om verveling te te voorkomen. Bij die laatste noemt men specifiek dolfijnen als voorbeeld.
Deze uitspraak sluit aan bij de groeiende kritiek op het Dolfinarium vanuit de hoek van deskundigen. Zo zei de bekende bioloog Jane Goodall vorig jaar nog dat geen enkel dolfinarium aan de behoeften van deze dieren kan voldoen.
Vervolgens stelt het rapport: ''Indien een dier niet de juiste omgevingsomstandigheden kan worden geboden of niet in zijn essentiƫle gedragsbehoeftes kan worden voorzien, is het onwaarschijnlijk dat het een toestand zal bereiken die het zelf als positief ervaart. Als dit structureel van toepassing is op een bepaalde diersoort, moet er overwogen worden om deze soorten sectorbreed niet meer te houden, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om dit wel te doen (nee, tenzij-principe).''
Die zwaarwegende redenen lijken wat het Dolfinarium betreft niet van toepassing. De dieren dienen bijvoorbeeld geen doel voor het in stand houden van de soort. Sterker nog: het Dolfinarium probeert een deel van de dieren al jaren te verhuizen naar China, omdat er teveel dolfijnen in het park aanwezig zijn.
Conclusie
Wat ons betreft is het een stap in de goede richting dat een dergelijke groep experts ook openlijk vraagtekens zet bij het houden van dolfijnen. Zoals eerder geschreven, past dit in de groeiende mate van kritiek op het houden van Cetacea (walvisachtigen) in gevangenschap voor het vermaak van bezoekers.
We hopen dat dergelijke uitspraken serieus meegenomen zullen worden in verdere overwegingen omtrent de toekomst van het Dolfinarium, opdat we binnen afzienbare tijd kunnen zeggen dat het Dolfinarium slechts nog een relikwie van het verleden is.